Lammert: O Jannetje, mijn soete beck! Ey lieve, blijft wat staen. Jannetje: Wat schortje, seght jy ouwe geck? Ick raetje, laetme gaen. L: Al ‘t gelt dat ghy hier leggen siet, Dat is voor u al ree. J: Wegh kael-kop, ick en soeck u niet, Dat jy soeckt, soeck ick mee . Van landen, zanden, gelt en goed Soo ben ick machtigh rijck. J: Dat acht ick niet, o suffe bloed! Ick wacht na mijns gelijck. L: Het goed is ‘t daermen wel of vaert, Dus Meysjen, weest gedwee. J: Ghy zijt mijn al te oudt bejaert; Dat jy soeckt, soeck ick mee. L: Och kijntjen geefje mijn een soen, Ick geefje al dit gelt. J: Dat sal ick wel een jonger doen, Al gaf hy niet en spelt. L: Gelooft, Lief, dat ick u versoeck Ter eeren en ter Ee, J: Wegh, wegh, wegh, Hansjen hangebroeck: Dat jy soeckt, soeck ik mee. L: Ick sel jou koopen watje lust, En doen wat jy gebiedt. J: Ey Lammert Vaertje, houdtje rust, Want jy en dientme niet; Waer jy maer twintigh jaren oudt, Misschien of icket dee, Maer nou so zydy oudt en koudt; Dat jy soeckt, soeck ick mee. Dit is een Lansjen na mijn sin, Vol vrolijckheyd en vreught, Die ick niet om sen goed bemin, Maer om zijn jonge jeught; U krachten die zijn oudt en af, Dus laetmen in mijn vree, En vrijd geen Vryster, maer een graf; Dat jy soeckt, soeck ick mee. L: Mijn dochter, laet dees mellick-muyl, En neemt een deftigh man. J: Och, nam ick sulcken ouwen uyl, Wat raed ging my dan an? ‘k Sou immers by u levend lijf, (Waer vintmen meerder wee?) U Maegt zijn, en u Weeuw, jou Wijf; Dat jy soeckt, soeck ick mee. Vaert wel dan, ouwe Rochelaer, Ick blijf by mijns gelijck. Weet jy niet, salige Beste-vaer, Dat Wie genoeght is rijck? L: Ey, staet toch stil, God segen ongs, Verhoort doch dees mijn bee. J: Ay Lammert-Vaer, jy soeckt wat jongs; Dat jy soeckt, soeck ick mee.
Bredero-liedjes e.a.
by Rosalie Marie Wertheim (1888 - 1949)
1. Een oud bestevaartje met een jong meisjen  [sung text not yet checked]
Language: Old Dutch (Oudnederlands)
Text Authorship:
- by Gerbrand Adriaenszoon Bredero (1585 - 1618)
Go to the general single-text view
G.A. Bredero, Boertigh, Amoreus, en Aendachtigh Groot Lied-Boeck, Amsterdam 1622
Research team for this page: Emily Ezust [Administrator] , Joost van der Linden [Guest Editor]
2. Amoureus Liedjen  [sung text not yet checked]
Language: Old Dutch (Oudnederlands)
Nu dobbert myn Liefje op de ree Op de woelende springhende baaren Vande wytluchtighe groote Zee Dien hy elacy! nu sal bewaren; Vaart heen, vaart heen, vaart voorde windt En denckt altoos, waar datje sint, Op haar die u bemindt. Och had ick twee ooghen als de Son Die de gantsche Werelt beschouwen, Of dat ickje troosje volghen con Ick souw u steets gheselschap houwen: Maar of't lichamelijck niet gheschiet Vermits de eerbaarheyt 'tmijn verbiedt Mijn Ziel en latet niet. En al mis ick Dedalus kunst Die door de Lucht syn Lief con draghen, Ick sal u gheleyden: met mijn gunst, Mijn waarste Lief, mijn wel behaghen, Waar ick ontslaghen vant lodsich vleys Myn Geest trock met u op de reys , Nu doetet mijn ghepeyns. Waar ick versien met Stentors stem, Ick souw ghedurich met u spreecken, Maar laas! mijn keeltjen, te cleen by hem, Kan door de Wolcken soo niet breecken. Dan doch al vaardy noch eens soo vart Ick sal nochtans in druck en smart U spreecken met mijn hart. Had ick Medeas Tovercracht, Ick sou Aeolus in syn Klippen Bekollen met syn volle macht, Dat niet een wintje hem sou ontslippen, Of borster een stoocker uyt syn sack, Die sou ick in u seylen strack Gaan stuuren met ghemack. De winden 'twater en de vloet, Hipplende Starren en vaste Polen, Die worden nu mijn hoochste goet, Mijn Lief, mijn licht, mijn leven bevolen. O goedertieren Gode vermaart, O regheerders van Hemel en aart, Mijn waarde Ceyx bewaart. Alcyone, u lieve Bruyt die schreyt, t'Hart wil heur van droefheyt scheuren Om dattet dus buldert, stormt, en wayt Doet u Tortelduyfje niet dan treuren. O Ceyx! o Ceyx! waardighen Man! Wat hartseer gaat u Vroutjen an, Die van u niet syn en can. Nu dobbert mijn Liefje op de ree Op de woelende springhende baaren Vande wytluchtighe groote Zee Die hy Elacy! nu sal bewaaren; Vaart heen! vaart heene! vaart voorde wint Maar denckt altoos, waar datje bint, Om haar die u bemindt.
Text Authorship:
- by Gerbrand Adriaenszoon Bredero (1585 - 1618), appears in De groote Bron der Minnen
Go to the general single-text view
Researcher for this page: Joost van der Linden [Guest Editor]3. Liedeken  [sung text not yet checked]
Language: Dutch (Nederlands)
Snachts rusten meest de dieren, Oock mensen goet, en quaat, En mijn Lief goedertieren Is in een stille staat: Maer ick moet eensaam swieren, En cruysen hier de straet. Ick sie het swerrick drijven Ick sie de claare Maan, Ick sie, dat ick moet blijven Alleen mistroostich staan! Ach lief, wilt mij gerijven Met troostelijck vermaan! [Ach Lely hoogh verheven, Verheven in mijn sin, Mijn hoope van mijn leven, Ghewenschte schoon Vriendin, Wilt my, u jonstich, gheven Een lieve weder min. Met hoop en vrees bevanghen, Met een ghestaeghe stryt Van sorghen en verlangen, Verwacht ick nu ter tijdt Van u, myn troost, t'ontfangen t'Woort daar men lang om vrijt. Myn vruchteloos verwachten Myn commer niet en blust, Sult ghy my heel verachten, Och voester van myn lust? Maer siet, ick onbedachte Claagh nu sy leyt en rust.]1 Och slaapt ghij mijn behagen, Dewijl ick doe mijn clacht? Wat baet mij dan mijn claagen, Nu ghij den dooven slacht: Ick salt gheduldich draagen, Ick wensch u goede nacht. Adieu Prinsesge jeugelijck Mijn Vrou van mij gemoet: Adieu en droomt gheneughelijck En slaapt gerust en soet: Ach t'is mij soo onmeuchelijck Te rusten als ghij doet.
Text Authorship:
- by Gerbrand Adriaenszoon Bredero (1585 - 1618), appears in De groote Bron der Minnen
See other settings of this text.
Available translations, adaptations or excerpts, and transliterations (if applicable):
- ENG English (Tinelot Wittermans) , "At night most animals are asleep", copyright ©, (re)printed on this website with kind permission
1 omitted by Pijper.
Research team for this page: Tinelot Wittermans , Joost van der Linden [Guest Editor]
11. Een meisje die van Scheveningen kwam
Language: Dutch (Nederlands)
Een meisje dat van Scheveningen kwam, sangejo Een meisje dat van Scheveningen kwam, sangejo Die was voortaan met haar visjes belaân Met de rikken en de klikken en de loto Singe sange joto Mie verkoopt de kandelaar Sing sangejo Zij riep gewis: Wie koopt er mijne vis? sangejo Zij riep gewis: Wie koopt er mijne vis? sangejo ‘k Heb schol en rog die alle levend is Met de rikken en de klikken en de loto Singe sange joto Mie verkoopt de kandelaar Sin sangejo Een rijke heer die uit zijn venster lag, sangejo Een rijke heer die uit zijn venster lag, sangejo Die knikte ’t meisje den goeden dag Met de rikken en de klikken en de loto Singe sange joto Mie verkoopt de kandelaar Sin sangejo Zo wierd zij rijk na heelen korten tijd, sangejo Zo wierd zij rijk na heelen korten tijd, sangejo Zoodat zij nu in een koetsken rijdt! Met de rikken en de klikken en de loto Singe sange joto Mie verkoopt de kandelaar Sin sangejo
Text Authorship:
Go to the general single-text view
Researcher for this page: Joost van der Linden [Guest Editor]Total word count: 1043